Wat het neerslagtekort niet meet
Over een cijfer met de vorm van een waterbalans dat per constructie geen voorraad kan bevatten, en over waarom juist dat getal het droogtegesprek voert.
Eind juli 2026 stond het landelijke neerslagtekort op bijna 250 millimeter. Een nieuwsbericht vertaalde dat getal voor de lezer: vijfentwintig emmers van tien liter per vierkante meter.1 De vergelijking is aanschouwelijk en zij is onjuist, niet in de rekensom maar in wat zij suggereert. Er zijn geen vijfentwintig emmers uit het systeem verdwenen.
Interessanter dan de fout is waar zij vandaan komt. In hetzelfde bericht staat alles wat er bestuurlijk werkelijk toe doet, en het staat in de alinea’s eromheen. De Rijn voert weinig aan, er is nauwelijks smeltwater, het zoutfront dringt via de Nieuwe Waterweg en de Hollandsche IJssel verder Zuid-Holland binnen, vanaf het Amsterdam-Rijnkanaal wordt vijftienduizend liter zoet water per seconde ingelaten om de polders door te spoelen, en op het Twentekanaal blijven de sluizen dicht om water vast te houden. Aanvoer, voorraad, verdeling en kwaliteit. Precies de vier grootheden die in het samenvattende getal niet voorkomen.
Dit stuk gaat over de vraag hoe een indicator die één ding meet het gesprek kan gaan voeren over iets anders, en waarom juist dit getal die rol kreeg.
Een vraaggrootheid, geen balans
Het neerslagtekort is de dagelijkse som van de referentiegewasverdamping minus de gevallen neerslag, gemiddeld over dertien meetstations, cumulatief over het groeiseizoen van 1 april tot en met 30 september en sinds 2026 ook jaarrond.2 Die referentieverdamping wordt berekend volgens de methode van Makkink en staat model voor de verdamping van kortgeknipt grasland op een bodem die van voldoende vocht is voorzien. Het getal beschrijft dus wat de atmosfeer had willen onttrekken aan een gewas dat onbeperkt water tot zijn beschikking heeft.
Daarmee is het een vraaggrootheid en geen balanspost. Zodra de bodem uitdroogt zakt de werkelijke verdamping onder de referentie, want de planten sluiten hun huidmondjes en er valt niets meer te verdampen. De teller loopt op dat moment juist op volle snelheid door. Naarmate de droogte fysiek dieper wordt, wijkt de indicator sterker af van het proces dat hij zou beschrijven. Dat is geen meetfout maar een eigenschap van de constructie. De emmers beschrijven een vraag waaraan grotendeels nooit is voldaan.
Eén rekenregel maakt het verschil met een balans hard. Komt de som onder nul, dan wordt zij op nul teruggezet. Een nat voorjaar wordt niet meegenomen naar de zomer. Een balans boekt overschot en tekort op dezelfde rekening; deze teller kent alleen tekort en begint na elke natte periode opnieuw. Wie hem als voorraadmaat leest, leest een grootheid die per constructie geen voorraad kan bevatten.
Wat wel scherp in beeld is
De stroom is goed gedekt, en de precisie waarmee dat gebeurt is het spiegelbeeld van de vaagheid elders. Op 16 juli lag de Rijnafvoer bij Lobith rond de zevenhonderdvijftig kubieke meter per seconde, onder het minimum van ongeveer zevenhonderdtachtig uit de droge zomer van 1976, terwijl de afvoer begin juli nog rond de duizend lag.3 Eind juli meldde het Rijk dat de Rijn bij Lobith nooit eerder zo laag is gemeten.4
De bestuurlijke opschaling volgt die cijfers op de voet. Op 1 juli ging de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar niveau één, dreigend watertekort, en op 16 juli naar niveau twee, feitelijk watertekort, waarmee het Management Team Watertekorten onder voorzitterschap van de directeur-generaal van Rijkswaterstaat wekelijks bijeenkomt.5 Sindsdien worden de stuwen op de Rijntakken anders ingezet, wordt minder vaak geschut om zoutindringing te beperken en ligt inzet van de stuw bij Hagestein op tafel.
Deze cijfers zijn geen modeluitkomsten maar metingen, op vaste punten, van partijen die er dagelijks operationeel op worden afgerekend: vaardiepte, sluisbeheer, inlaatcapaciteit, leveringszekerheid van drinkwater. Waar een organisatie moet handelen, wordt scherp gemeten, tot en met de vaststelling dat een record is gebroken.
Wat niet in beeld is
De voorraad is een ander verhaal. Grondwater wordt gemeten als stijghoogte in peilbuizen en samengevat in een index. Dat is een niveau, geen volume. De vertaling naar een voorraad loopt via het Landelijk Hydrologisch Model, dat primair is opgezet voor landelijke toepassingen en uitdrukkelijk niet voor gedetailleerde regionale of lokale analyses.6 Een uitspraak over de beschikbare zoetwatervoorraad is dus een modeluitkomst, en juist op het schaalniveau waarop de besluiten vallen is het model daar niet voor bedoeld.
Aan de onttrekkingskant is het gat groter en concreter. Provincies zijn bevoegd gezag voor de grote onttrekkingen, waterschappen voor de kleinere door landbouw, particulieren en industrie, en voor een aanzienlijk deel van die kleinere onttrekkingen bestaat geen vergunning- of meldingsplicht, waardoor zij niet geregistreerd zijn.7 Toen de Tweede Kamer in juni 2020 om inzicht vroeg in aantal en omvang van de grondwateronttrekkingen, kwam het antwoord in maart 2021 en luidde de kern dat het gevraagde inzicht niet volledig kan worden gegeven.8 De Rekenkamer Oost-Nederland stuitte in Gelderland en Overijssel bovendien op een eenhedenprobleem dat vergelijking bij voorbaat blokkeert: waterschappen leggen registratiegrenzen vast in pompcapaciteit per uur, provincies in jaartotalen, en die twee zijn niet in elkaar om te rekenen omdat capaciteit niet hetzelfde is als opgepompte hoeveelheid.9 Of dat probleem zich in dezelfde vorm buiten die twee provincies voordoet is niet vastgesteld; de bevoegdheidsverdeling die het veroorzaakt geldt wel landelijk.
De meetarchitectuur volgt hier de bevoegdhedenverdeling en niet het watersysteem. Wie een oordeel wil over de stroom, meet zelf. Wie een oordeel wil over de voorraad, moet twaalf provincies, eenentwintig waterschappen en een model bij elkaar leggen die elk in andere eenheden en op andere momenten registreren.
Waarom juist dit getal het gesprek voert
Zo bezien is het neerslagtekort geen ongelukkige keuze maar een voorspelbare. Het is de enige droogtegrootheid die dagelijks beschikbaar is, landelijk geldt, in één getal past en een referentiereeks achter zich heeft die teruggaat tot 1906. In dezelfde grafiek staan de mediaan, de lijn die in vijf procent van de jaren wordt overschreden, en het verloop van 1976.10 Vandaar dat de berichtgeving zonder moeite bij de vijf procent droogste jaren en bij 2018 uitkomt: die vergelijkingen liggen kant-en-klaar in het instrument. Voorraad, aanvoercapaciteit, bergingsvermogen en onttrekkingsrechten zijn regionaal, traag, verdeeld over beheerders en niet in één reeks te vatten.
Het getal dat het makkelijkst te tellen is, wordt het getal waarover het gaat. De indicator wordt niet gekozen omdat hij het vraagstuk beschrijft, maar omdat hij bestaat. Zijn overtuigingskracht komt precies uit de eigenschap die hem ongeschikt maakt: hij heeft de vorm van een waterbalans, in millimeters, cumulatief, met percentielpositie, terwijl er maar één post in staat en die post atmosferisch is. Een vervanger die de vorm van het origineel overneemt en zijn functie niet, is moeilijker te herkennen dan een vervanger die er anders uitziet.
De vernieuwing van dit jaar laat zien hoe hardnekkig dat is. Het KNMI monitort het neerslagtekort sinds 2026 ook jaarrond, in lijn met een advies van het Expertise Netwerk Zoetwater en Droogte, en motiveert die stap met de winter van 2018 op 2019, toen de grondwaterstanden na de droge zomer onvoldoende werden aangevuld en het groeiseizoen van 2019 dus met een achterstand begon.11 De redenering is zuiver hydrologisch en gaat volledig over de voorraad. Het antwoord is een verlenging van de tijdas van dezelfde atmosferische grootheid. Wie voorraadverschijnselen wil volgen, krijgt een langere meting van de vraag.
Dat een landelijk gemiddelde over dertien stations het beeld bepaalt terwijl elk besluit dat eruit volgt regionaal is, is daarvan het directe gevolg. Dezelfde 250 millimeter betekent in het aanvoergebied iets anders dan op de hoge zandgronden, waar geen water naartoe te brengen valt. Het enige onderscheid dat operationeel iets betekent, tussen aanvoergebied en vrij afwaterend gebied, verdwijnt in het gemiddelde dat het gesprek draagt.
Waar de cijfers van ontlasten
Een neerslagtekort heeft geen geadresseerde. Het is weer, en niemand is verantwoordelijk voor weer. Waterhuishouding daarentegen is een uitkomst van besluiten: peilbeheer, drainage, vergunde onttrekkingen, ruimtelijke ordening, en decennia waarin water zo snel mogelijk werd afgevoerd omdat afvoeren het probleem van gisteren oploste.
Het KNMI-klimaatbericht van 23 juli laat zien hoe precies die scheiding wordt aangebracht en hoe gemakkelijk zij daarna vervaagt. Het bericht onderscheidt zelf drie soorten droogte, meteorologisch bij weinig regen, agrarisch bij slecht groeiende gewassen en droge bodem, en hydrologisch bij lage rivierafvoeren en grondwaterstanden, en stelt vast dat deze zomer alle drie optreden.12 Datzelfde instituut levert het ene getal waarin de laatste twee niet voorkomen. Beide registers staan op dezelfde site, en juist dat maakt de vaststelling houdbaar: het weten en het samenvatten wonen in dezelfde organisatie en corrigeren elkaar niet.
Veelzeggender nog is waarop de onderliggende studie rekent. World Weather Attribution beoordeelt de droogte aan de hand van het bodemvocht in de bovenste meter, vergeleken met alle jaren sinds 1950, en komt tot de conclusie dat het bodemvochttekort in de oostelijke regio waartoe Nederland behoort ongeveer elf keer waarschijnlijker is geworden door menselijke opwarming. Daarbij hoort de bevinding die het mechanisme sluit: de gemiddelde neerslag in het groeiseizoen is nauwelijks veranderd, de droogte is vooral waarschijnlijker geworden door hogere temperaturen en de verdamping die daarmee samengaat.13 Zodra de wetenschap werkelijk een uitspraak wil doen over hoe droog het is, schakelt zij dus over op een voorraadgrootheid. Het neerslagtekort komt in hetzelfde bericht alleen nog voor in de scenariografiek.
Daaruit volgt iets ongemakkelijks voor de indicator. Klimaatverandering laadt vrijwel uitsluitend de verdampingsterm, en dat is de teller van het neerslagtekort. Het getal zal dus records blijven vestigen om een reden die niets zegt over de capaciteit van het watersysteem. Zijn alarmerendste signaal is tegelijk zijn minst hanteerbare.
De vaststelling dat het zonder klimaatverandering niet zo droog was geweest, is wetenschappelijk gefundeerd en tegelijk de volmaakte dekking, omdat zij de oorzaak plaatst op een adres waar geen Nederlandse waterbeheerder over gaat. Dat hoeft niemand te bedoelen en het is ook niet nodig het zo te lezen. Het is genoeg om vast te stellen dat de dekking gratis beschikbaar is en dat geen enkele partij een prikkel heeft haar op te geven. Het KNMI zelf doet dat overigens niet, want het bericht eindigt met aanpassen: zoetwatervoorraden aanleggen en tegelijk bergen voor hevige neerslag. Die slotzin wijst terug naar precies de besluitlaag die dit stuk behandelt, en zij haalt het publieke debat zelden.
Wat dit vraagt van de rapportage
Twee dingen zijn zonder wetswijziging te doen, en ze gaan allebei over hoe het getal wordt gepresenteerd. Rapporteer het neerslagtekort niet zonder de stand van de voorraad ernaast, ook als die stand alleen als niveau beschikbaar is. En splits elk landelijk droogtebeeld standaard naar aanvoergebied en vrij afwaterend gebied, omdat dat de enige tweedeling is die tot verschillende handelingen leidt.
Wat er gebeurt zodra deze indicator de bestuurlijke werkelijkheid raakt — hoe schaarste wordt verdeeld met een instrument dat maar één van beide voorraden dekt, en waarom de weging achter zo’n besluit niet wordt gepubliceerd — is uitgewerkt in De verdeling zonder balans op Statecraft.
Footnotes
-
Job van der Plicht, ‘Ingrijpende maatregelen naderen door wekenlange droogte: zitten op het randje’, NU.nl, 30 juli 2026. Het cijfer betreft het landelijk gemiddelde neerslagtekort per die datum. ↩
-
KNMI, Achtergrondinformatie neerslagtekort, knmi.nl, geraadpleegd 2 augustus 2026. De som wordt op nul teruggezet zodra zij onder nul uitkomt, waardoor de waarde niet negatief kan worden. De dertien stations liggen verspreid over Nederland, van De Bilt tot Westdorpe en Winterswijk. ↩
-
KNMI-klimaatbericht, Sjoukje Philip en Sarah Kew, ‘Zonder klimaatverandering was het nu niet zo droog geweest’, 23 juli 2026. Vergelijk Unie van Waterschappen, ‘Droogte en lage rivierafvoeren vragen om verdergaande maatregelen’, juli 2026, met daarin het landelijke neerslagtekort van 200 mm rond half juli, vergelijkbaar met 2018, en grondwaterstanden overwegend laag tot zeer laag voor de tijd van het jaar. ↩
-
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ‘Droogte blijft toenemen: Rijn op laagste punt ooit’, rijksoverheid.nl, 30 juli 2026. ↩
-
Rijkswaterstaat, ‘Droogte houdt aan: de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling schaalt op naar dreigend watertekort’, 1 juli 2026, en ‘Extra maatregelen door aanhoudende droogte, opschaling naar feitelijk watertekort’, 16 juli 2026. De actuele stand en de geldende regionale maatregelen staan in de Droogtemonitor van het Watermanagementcentrum Nederland, waterberichtgeving.rws.nl. ↩
-
Nederlands Hydrologisch Instrumentarium, documentatie Landelijk Hydrologisch Model, nhi.nu; zie ook STOWA, Deltafact Inzetbaarheid hydrologische modellen voor waterkwantiteitsvraagstukken. ↩
-
Rapport Melding- en vergunningplicht (kleine) grondwateronttrekkingen, aan de Tweede Kamer aangeboden in 2024. Kleine onttrekkingen zijn daarin onttrekkingen tot 150.000 m³ per jaar. ↩
-
Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, Overzicht Grondwateronttrekkingen provincies en waterschappen, door de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de Tweede Kamer aangeboden op 29 maart 2021, naar aanleiding van een verzoek uit het algemeen overleg van juni 2020. Het rapport raamt het aantal grondwateronttrekkingen voor beregening op ongeveer 15.500. ↩
-
Rekenkamer Oost-Nederland, Als elke druppel telt, aangeboden aan Provinciale Staten van Gelderland en Overijssel, 28 september 2022. ↩
-
KNMI, Achtergrondinformatie neerslagtekort. De berekening van het landelijk gemiddelde is in 2026 geactualiseerd; recordwaarden, mediaan en de lijn van de vijf procent droogste jaren zijn gebaseerd op de reeks 1906-2025. ↩
-
KNMI, ‘Vernieuwde berekening neerslagtekort: nu hele jaar droogtemonitoring’, januari 2026; Expertise Netwerk Zoetwater en Droogte, Voorbij de seizoenen: jaarrond voorbereid op droogte. ↩
-
KNMI-klimaatbericht, 23 juli 2026. Het onderscheid tussen meteorologische, agrarische en hydrologische droogte wordt daar uitgewerkt. ↩
-
World Weather Attribution, Increasingly hot Europe faces more severe droughts and growing challenges for water and land management, juli 2026, onder leiding van KNMI-onderzoekers. Voor de westelijke regio komt de studie uit op een ongeveer vijf keer grotere kans bij 1,4 graden opwarming sinds het begin van de vorige eeuw. ↩